Europees Parlement - Schriftelijke verklaring
12 januari 2004
Het Europees Parlement,
| - | gelet op artikel 51 van zijn Reglement, |
| - | gelet op artikel 13 van Verdrag betreffende de Europese Unie en het beginsel van de menselijke waardigheid, |
- overwegende dat doofblindheid een specifieke handicap is, namelijk een combinatie van gezichts- en gehoorschade, die tot moeilijkheden leidt op het gebied van toegang tot informatie, communicatie en mobiliteit,
- overwegende dat er in de Europese Unie ongeveer 150.000 mensen doofblind zijn,
- overwegende dat sommige van hen volledig doof en blind zijn, maar dat de meesten één of beide zintuigen nog enigszins kunnen gebruiken,
- overwegende dat doofblinden met hun specifieke handicap behoefte hebben aan bijzondere ondersteuning door mensen met specialistische kennis,
- verzoekt de instellingen van de Europese Unie en de lidstaten de rechten van doofblinde mensen te erkennen en uitvoering te geven aan die rechten;
- verklaart dat doofblinden dezelfde rechten dienen te genieten als alle andere EU-burgers en dat deze rechten door middel van passende wetgeving in elke lidstaat gewaarborgd moeten worden, waaronder:
| - | het recht om deel te nemen aan het democratische leven van de Europese Unie, |
| - | het recht op werk en toegang tot scholing, met adequate verlichting, contrast en aanpassingen, |
| - | het recht op gezondheidszorg en opvang die op de betrokkene zijn toegesneden, |
| - | het recht op levenslang leren, |
| - | het recht op individuele ondersteuning, waar nodig, door communicatiebegeleiders en gespecialiseerde tolken en/of tussenpersonen; |
- verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen van de lidstaten.